Niet eerder werd er zo'n grootscheeps archeologisch onderzoek uitgevoerd in Dalfsen als in De Gerner Marke.
Een deel van dit nieuwe woongebied is een half jaar lang het werkterrein van archeologen geweest, op zoek naar sporen uit het verleden. Minitieus onderzoek heeft inmiddels bevestigd, dat dit gebied bewoond was in de IJzertijd en in de Middeleeuwen.
De resultaten van het archeologisch onderzoek in De Gerner Marke zijn door de archeologen Sigrid van Roode en Jolanda Bos vastgelegd in een fraai publieksboek met de naam 'Thuis op De Gerner Marke'. Sigrid en Jolanda waren namens het archeologisch adviesbureau Past2Present nauw betrokken bij de opgravingen in De Gerner Marke. Het publieksboek werd op 29 september gepresenteerd, waarbij ook alle nieuwe bewoners van De Gerner Marke een exemplaar ontvingen. Belangstellenden kunnen het boek voor € 5,-- kopen bij de receptie van het gemeentehuis in Dalfsen.
Naast het boek is er ook een publieksfolder gemaakt waarin beschreven is hoe het onderzoek in zijn werk ging en welke geheimen de bodem van De Gerner Marke prijsgaf. De publieksfolder kunt u downloaden op deze site en is ook verkrijgbaar in het gemeentehuis in Dalfsen.
Inmiddels is duidelijk geworden dat door het midden van het terrein een natuurlijke laagte loopt. Deze is wat vochtiger dan de aangrenzende hoogtes en er heeft zich wat veenvorming voorgedaan. De bewoningssporen vinden we vooral terug op de hoger gelegen delen.
In het meest zuidoostelijk deel van het terrein zijn huisplattegronden aangetroffen van drieschepige boerderijen. Deze boerderijen kunnen gedateerd worden in de IJzertijd. De boerderijen waren groot; 8 x 22 meter en 6,5 x 18 meter. In de boerderijen woonden mens en dier onder één dak. Het vee werd ondergebracht aan de oostelijke kant van de boerderij, terwijl het westelijke deel gebruikt werd voor het huishouden. Aan de beide lange zijden bevond zich in het midden een deur. Ook was er een deur op de kopse kant van het stalgedeelte. Als een locatie langdurig bewoond is geweest, worden soms vele honderden paalsporen aangetroffen. Archeologen kunnen hierbinnen plattegronden van afzonderlijke huizen reconstrueren. In dit geval waren de plattegronden duidelijk herkenbaar zonder andere paalsporen eromheen. Dat betekent dat de locatie niet lang, misschien zelfs maar gedurende één generatie, bewoond is geweest.
Een interessante vondst in het zuidelijk deel is een oude dassenburcht. Omdat de dassenburcht niet doorsneden wordt door de sporen van het latere diepploegen op dit deel van het terrein, is de burcht niet recent. Dassen wonen graag in een rustige omgeving. Dat er op de Gerner Marke een dassenburcht is aangetroffen, is dan ook wellicht een aanwijzing voor een hiaat in de bewoningsgeschiedenis.
Verder is in het zuidelijk deel een aantal huisplattegronden en waterputten aangetroffen die mogelijk uit de Vroege Middeleeuwen dateren.
In het noordelijk deel van de vindplaats zijn vele sporen uit de Middeleeuwen aangetroffen. Het gaat hierbij om een aantal bootvormige huizen en opslagplaatsen, de zogeheten spiekers. Bootvormige huizen worden zo genoemd omdat de wanden niet recht lopen, maar een lichte kromming vertonen. De plattegrond van zo’n huis lijkt op de vorm van een boot van bovenaf gezien. Ook zijn er aanwijzingen gevonden dat er wellicht op zeer kleine schaal ijzer werd bewerkt.
Uit de ruimtelijke spreiding van de plattegronden kunnen we opmaken dat het erop lijkt dat de bewoning zich langzaam van het zuiden naar het noorden verschoven heeft. In het meest zuidoostelijk deel vinden we bewoning uit de IJzertijd, ten noorden daarvan uit de Vroege Middeleeuwen en weer ten noorden daarvan uit de latere Middeleeuwen.
IJzertijd
De IJzertijd loopt van ongeveer 800 voor Christus tot 12 na Christus. Binnen de IJzertijd onderscheiden we de vroege, midden en late IJzertijd. De boerderijen die nu in Dalfsen gevonden zijn, stammen uit de midden tot late IJzertijd. In de IJzertijd werd er voor het eerst ijzer gebruikt, waaraan dit tijdperk zijn naam ontleent. De IJzertijd-boeren bedreven landbouw op kleine vierkante akkertjes. Ze hielden ook vee en hadden daarmee een gemengd boerenbedrijf. Er werd over lange afstand handel gedreven in zeezout, dat langs de kust van de Noordzee werd gewonnen. In het noorden van Nederland zijn aanwijzingen gevonden voor contacten met Scandinavië en Duitsland, terwijl in het zuiden van het land meer contacten met België en Frankrijk aantoonbaar zijn.
De boerderijen uit de IJzertijd waren gebouwd van houten palen en wanden die met leem waren bestreken. De daken waren gemaakt van stro. Deze gebouwen hadden maar een beperkte levensduur, ze werden vaak verplaatst of herbouwd. Soms werd binnen een of twee generaties in de buurt van de oudere boerderij een nieuwe boerderij neergezet met een vrij gelegen erf. Dit ‘verspringen’ van de erven noemen we zwervende erven. De doden uit een gemeenschap werden in een centraal grafveld begraven. De IJzertijd eindigde na de komst van de Romeinen in Nederland. De vernieuwingen en ontwikkelingen die zij naar het noorden brachten, markeerden de overgang naar een nieuw tijdperk.
Middeleeuwen
De Middeleeuwen lopen van 500 tot 1500 na Christus. Deze duizend jaar worden opgedeeld in Vroege, Volle en Late Middeleeuwen. Eén van de belangrijkste ontwikkelingen in de Vroege Middeleeuwen was de komst van het Christendom. In de 7e eeuw was de lokale adel in Zuid-Nederland bekeerd; de rest van Nederland volgde in de 8e en 9e eeuw. De nederzettingen uit de Vroege Middeleeuwen waren, net als in de IJzertijd, klein en zelfvoorzienend. In de Volle Middeleeuwen nam de omvang van het boerenbedrijf en de nederzettingen toe.
Door de groei van het boerenbedrijf ontstond een overschot in de landbouw waardoor er op grotere schaal handel ontstond. Daarnaast was er meer ruimte voor specialistische ambachten. Vanaf het jaar 1000 begon men het landschap zelf vorm te geven. Veengebieden werden ontgonnen en verkaveld en niet lang daarna ontstonden de eerste steden. Deze lagen vaak langs een rivier, omdat rivieren nog de belangrijkste handelsroutes vormden. Ook werden veel kloosters gesticht. Door hun rijkdom hadden kloosters veel politieke invloed en konden ook hun stempel drukken op het openbare leven. In de 12e eeuw werden kloosters nog vaak op het platteland gesticht en verrichten van daaruit ontginningswerkzaamheden; in de 13e en 14e eeuw werden kloosters vooral in de steden gevestigd. Daarnaast nam in de Late Middeleeuwen de handel sterk toe, met de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van de zeevaart. Vooral uit deze tijd zijn veel geschreven bronnen bekend.
Archeologisch onderzoek roept vaak beelden op van stoere archeologen die als een soort Indiana Jones allerlei spectaculaire schatten ontdekken. De praktijk werkt iets anders.
Archeologisch onderzoek begint op tekentafel. Nadat door vooronderzoek bekend is geworden dat er op een bouwlocatie archeologische resten aanwezig zijn, wordt een reeks vragen geformuleerd. Wat willen we weten? Wat gaan we precies onderzoeken? En hoe gaan we dat aanpakken? Net als in de bouwwereld wordt er een bestek en een ontwerp opgesteld voor het archeologisch onderzoek. De doorlooptijd wordt vastgesteld, de opgravingsputten worden ingetekend en de kosten worden geraamd. Daarna wordt het werk aanbesteed. De archeologisch aannemer met de beste prijs-kwaliteitverhouding krijgt de opdracht.
In het veld begint de archeoloog niet lukraak te spitten tot hij wat tegenkomt. In de opgravingsputten wordt een horizontaal vlak aangelegd, waarin de sporen van huizen en schuurtjes zich aftekenen. Dit gebeurt met een kraanmachine, voorzien van een speciale schaafbak. Hiermee kan een keurig horizontaal vlak worden aangelegd op het niveau waar de sporen zich bevinden. Meestal is de diepte van de sporen al bepaald aan de hand van boringen die op de vindplaats zijn gezet. Van houten gebouwen bijvoorbeeld is vaak niets meer over, behalve verkleuringen in de bodem op plaatsen waar palen in de grond hebben gezeten. Archeologen kunnen in deze paalsporen plattegronden van gebouwen herkennen. De vorm van de plattegrond vertelt iets over de tijd waarin het gebouw neergezet werd.
De sporen worden allemaal nauwkeurig getekend, ingemeten, gefotografeerd en onderzocht. Daarnaast worden vondsten verzameld: die worden ook ingemeten en ingetekend. Zo ontstaat een driedimensionale puzzel van een rijk verleden.
Met opgraven vernietigt de archeoloog zijn onderwerp van studie. Een onderzoek kan maar een keer worden uitgevoerd, want als de schep erin gezet is, zijn de bodemverkleuringen en resten uit het verleden opgegraven en voorgoed verdwenen. Daarom is het zo belangrijk dat alles genoteerd wordt. Na het veldonderzoek worden de verzamelde gegevens bestudeerd. De vondsten worden gewassen, beschreven en getekend. De opgetekende plattegronden worden bekeken en per periode gegroepeerd. Op deze manier ontstaat een beeld van de bewoningsgeschiedenis. De vragen die in het begin zijn opgesteld, worden beantwoord en er verschijnt een rapportage.
Op de Gerner Marke is onderzocht tijdens welke perioden en hoe lang er mensen op de vindplaats hebben gewoond. In wat voor huizen woonden ze? En hoe zagen hun nederzettingen eruit? Hoe maakten ze gebruik van het landschap? Wat deden ze voor de kost, werden ze ter plaatse begraven en zijn er aanwijzingen voor andere religieuze activiteiten?
Naast dit onderzoek naar de vroegere bewoners van de Gerner Marke wordt ook aandacht besteed aan de beschermende laag die de archeologische resten afdekt: het esdek. Wanneer is het ontstaan? Waar bestaat het uit? Hoe is het in de loop der eeuwen zo gegroeid? Op deze manier krijgen we meer inzicht in het gebruik van de Gerner Marke als landbouwgrond.
U kunt hieronder het lespakket in PDF formaat downloaden.
Gemeentehuis Dalfsen:
Maandag: doorlopend van 08.30 uur tot 19.00 uur.
Dinsdag tot en met vrijdag:
doorlopend van 08.30 - 15.00 uur
Meer info openingstijden