Sluit
  1. Stuur door
Stuur door

Oosterdalfsen eeuwenlang bewoond (blog - deel 2)

De kern Dalfsen wordt de komende jaren uitgebreid met de nieuwe woonwijk “Oosterdalfsen”.

Het gebied wordt globaal ontsloten door Oosterdalfsersteeg, Gerner Es, achterkant percelen oostzijde Slingerlaantje, Kampansweg, Luchiespad en de Welsummerweg. Er zullen ongeveer 260 woningen worden gebouwd,  zowel in de vrije als in de sociale sector. Voorafgaand verricht  ADC ArcheoProjecten archeologisch onderzoek. Vooronderzoek heeft namelijk uitgewezen dat er sporen van  menselijke activiteiten werden gevonden die dateren van duizenden jaren terug. De heer Bouma van ADC ArcheoProjecten doet op deze website met enige regelmaat verslag in een blog.

Inmiddels zitten de eerste drie weken van de opgraving erop en is er een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 open gelegd. Vorige week hebben we uitgelegd wat er in de eerste twee weken zoal is gevonden en uit welke perioden de sporen en vondsten dateren. Deze week leggen Evelien en Sam, derdejaars studenten archeologie aan de Saxion Hogeschool uit Deventer, uit hoe we nou precies weten hoe diep we moeten graven en hoe een dag opgraven eruit ziet.

Hoe weet je nou hoe diep je moet graven om iets te kunnen vinden? Dat is een vraag die een archeoloog regelmatig te horen krijgt. Hoe diep we moeten graven, is afhankelijk van de bodemopbouw ter plaatse. Voor de archeoloog is het daarom belangrijk om kennis te hebben van het ontstaan en de ontwikkeling van het landschap en de bodemopbouw van het plangebied. Door de verschillende vooronderzoeken die reeds zijn uitgevoerd (bureauonderzoek, booronderzoek en proefsleuven), weten we bij de start van de opgraving al heel veel over de bodemopbouw ter plaatse en hoe diep we dus moeten graven.
Simpel gezegd ziet de bodemopbouw in het plangebied er als volgt uit. De bovengrond betreft de (recent) geroerde bouwvoor. Hieronder ligt een relatief dik pakket donkere grond of teelaarde bovenop geel tot lichtgrijs zand. Dit gele tot lichtgrijze zand betreft de natuurlijke ondergrond. Omdat dit zand relatief zuur en droog is en daardoor snel uitgeput raakt, was het voor de middeleeuwse bewoners van dit gebied noodzakelijk om het akkerland aan te rijken met voedingsstoffen. Dit kon bijvoorbeeld met mest maar later, vermoedelijk vanaf de 16e eeuw, werd mest vermengd met plaggen op de akkers aangebracht. Hierdoor ontstond in de loop der eeuwen een dik pakket donkere grond dat ook wel esdek wordt genoemd. Eventuele sporen van oude bewoning komen we dan ook onder deze donkere laag tegen in het gele of lichtgrijze zand.

Hoe ziet een dag opgraven eruit? Met de kraan worden in relatief grote happen de verstoorde bovengrond en akkerlagen afgegraven. Als de natuurlijke ondergrond, het gele tot lichtgrijze zand, in beeld komt, wordt voorzichtig laagje voor laagje afgegraven totdat sporen zich in het lichtgekleurde zand beginnen af te tekenen. Dit zijn geen muren of funderingen want de boerderijen uit de Bronstijd, IJzertijd en Middeleeuwen die wij onderzoeken, waren van hout met vermoedelijk lemen wanden. Van deze houten boerderijen is in de zandgronden vaak niet meer bewaard gebleven dan de kuilen waarin de palen van de boerderij hebben gestaan, paalkuilen genoemd. Deze zijn als verkleuring in de bodem herkenbaar. In de archeologie spreken we daarom van boerderijplattegronden, omdat van de feitelijke houtconstructie niks bewaard is gebleven.
Als de graafmachine zijn werk heeft gedaan, wordt het pas aangelegde vlak nog eens met de hand (schep) opgeschaafd en worden de sporen aangekrast, zodat ze duidelijk zichtbaar zijn. Alle sporen worden voorzien van een spoornummer en worden ingemeten en beschreven. Van elk vlak met sporen maar ook zonder sporen wordt tevens een foto gemaakt. Om te kijken wat de aard en datering van de sporen is, worden deze gecoupeerd. Dit betekent dat één helft van het spoor wordt uitgegraven zodat de vorm en diepte en daarmee de aard van het spoor duidelijk wordt. Deze doorsneden worden net als het vlak gefotografeerd, getekend, beschreven en eventueel bemonsterd. Het vastleggen en documenteren van alle sporen en vondsten is enorm belangrijk, omdat een opgraving maar één keer uitgevoerd kan worden. Eenmaal weg gegraven is het ook echt weg.

Afgelopen week hebben we ook de oost-west georiënteerde weg onderzocht. Dit hebben we gedaan door deze eerst volledig uit te graven met de kraan. Hierdoor verkregen we een volledige doorsnede van de weg in de putwand, in de archeologie het profiel genoemd. Dit profiel is volledig met de hand geschaafd, gefotografeerd, ingekrast, getekend en beschreven. Dit profiel leverde over een lengte van bijna 15 m een prachtig beeld op van talloze karrensporen die zich eeuwenlang door dit zand hebben gebaand.

Het openleggen van de opgravingsputten zorgt voor enorme bergen zand die naast de werkputten in depot moeten worden gezet. Inmiddels worden de eerste opgravingsputten weer dichtgegooid en kunnen de zones onder de voormalige storthopen onderzocht worden.

Het documenteren van de doorsnede door de weg. Het documenteren van de doorsnede door de weg.

 

Wilt u meer weten over Oosterdalfsen in het algemeen en het archeologisch onderzoek in het bijzonder? Klik hier.